Het boek

Hart Gezocht, de overlevingstocht van een man die wacht op een donor:
ISBN: 978 90 215 4863 0 | 304 pagina’s | Nederlands | 2010

Proloog

Het was een bijzondere avond omdat Hannah voor het eerst bij me mocht logeren. Ik was al zes maanden opgenomen in een ziekenhuis, weg van huis. Sinds twee maanden had ik een aparte kamer in het Rijnlands Revalidatie Centrum. En omdat mijn oudste dochter kwam logeren, had ik speciaal een romantische tienerfilm gehuurd bij de receptie. De verpleging had er een bed bij gezet en er waren chips, augurken en cola. We hadden ons geïnstalleerd met de laptop als tv aan het voeteneind, op zo’n praktisch ziekenhuis-uitklaptafeltje.
Toen ik weken later mijn laptop weer terugkreeg in Rotterdam, zat de dvd van deze avond er nog in: A lot like Love, met Ashton Kutcher en Amanda Peet. Eigenlijk een slechte film, maar wel eentje om in te lijsten.
Hannah had nog aan Carin gevraagd: ‘Mam, en als ze dan toevallig net bellen als ik bij papa slaap?’
Carin zei: ‘Nee joh, dat gebeurt niet, maar als het toch gebeurt, dan komt Ellen je ophalen.’ Ellen is de zus van Carin en dus de tante van Hannah.
De film was net afgelopen en Hannah poetste haar tanden. Ik was daar al mee klaar en had mijn medicijnen ingenomen, waaronder dertig milligram themazepam. In die tijd was ik zwaar verslaafd aan die slaappillen. Ik slikte, afhankelijk van mijn onrust, twintig tot veertig milligram. Echt slapen deed ik nauwelijks.
Het was even na elf uur en mijn mobiel ging. Dit was geen gewoon telefoontje. Ik zag het aan het netnummer, ‘010’, op mijn display. Ik voelde de zenuwen direct opkomen – zul je net zien – en nam mijn telefoon op: ‘Met Pieter.’
‘Goedenavond, u spreekt met Van de Akker. Spreek ik met de heer Van de Rest?’
Een duizeling ging door mijn hoofd.
‘Ja, daar spreekt u mee.’ En nog voor Van de Akker iets kon zeggen, hoorde ik mijzelf hardop zeggen: ‘O god, daar gaan we dan, o, o, o jee.’ Rustig blijven, Piet, fluisterde ik tegen mijzelf.
Van de Akker zei: ‘Ik ben een van de cardiologen van het transplantatieteam. U staat bij ons ingeschreven in afwachting van een donorhart.’
‘Ja, dat klopt, o jee, o mijn god, och jee,’ antwoordde ik. Ik was er toen slecht aan toe. Mijn hart was zo zwak dat ik niet eens kon zweten. Maar toen Van de Akker belde, brak het angstzweet me uit. Echt, binnen een minuut had ik klotsende oksels.
‘Doet u maar rustig, meneer Van de Rest, u hebt het begrepen, er is een hart voor u,’ zei Van de Akker.
Naast mij stond Hannah te gillen: ‘O pap, hebben ze een nieuw hart, gaat het gebeuren? O nee, nee, nee, ik vind het eng, o pap, je mag niet doodgaan.’
Ik probeerde Hannah tot bedaren te brengen: ‘Stil maar, schat, het komt goed. Dit is goed nieuws.’
Hannah zei huilend: ‘Maar papa, ik ben zo bang.’ Complete paniek: ‘Papa, papa, papa.’
Ik legde mijn vinger tegen mijn mond en zei: ‘Ssssst!’ Ik moest me concentreren. Ik moest dit tot een goed einde brengen.
Ik wendde me tot Van de Akker en sprak in mijn mobiel: ‘U hebt een bijzondere avond uitgekozen, mijn dochter is toevallig bij me. Ik lig hier in een kliniek te wachten en zij mocht vanavond voor het eerst een nachtje bij me logeren.’
Van de Akker zei: ‘Probeert u rustig te blijven.’
‘Ja natuurlijk´, – verdomme, het gaat echt gebeuren, ik ben rustig. Ik ademde snel en zwaar – ‘ik begrijp dat ik snel naar u toe moet komen, toch?’
Van de Akker zei: ‘Komt u maar deze kant op, we hebben voldoende tijd, we hebben de operatie om vier uur gepland. Als u nu komt, dan hebben we nog ruim de tijd om alles voor te bereiden.’
Ik begreep onmiddellijk dat de donor ergens in een ziekenhuis moest liggen en hersendood was, maar nog werd beademd om het hart en andere organen in goede conditie te houden. In een flits zag ik mezelf liggen op een operatietafel, volledig geschoren als een geplukte kip en besmeerd met bruine jodium.
‘Goed, ik kom eraan, ik heb mijn spullen al klaarstaan,’ antwoordde ik. Als je op een transplantatie wacht, is het gebruikelijk om een spoedtasje met toiletspullen, een tandenborstel, scheermesjes, sloffen en een gewassen pyjama klaar te hebben staan. Alles moest nieuw én schoon en gewassen zijn om bacteriën geen kans te geven. ‘Ik zal de verpleging inlichten dat ze een ambulance moeten bellen.’ Ondertussen stond Hannah nog steeds te springen en te huilen. Ik voelde haar pijn en onzekerheid dwars door mijn blijheid en opgewonden stemming heen. Het gesprek met Van de Akker was bijna afgerond. Ik wilde Hannah het liefst vasthouden en zeggen dat het allemaal goed zou komen.
Van de Akker zei: ‘Prima, dan zie ik u zo meteen.’
Terwijl ik naar Hannah keek en met gebaren haar probeerde rustig te krijgen, zei ik tegen Van de Akker: ‘Het komt goed, schat.’ Verschrikt door mijn verspreking zei ik: ‘Sorry dokter, maar mijn dochter staat hier naast me. Zij is de schat. Ik wilde u niet beledigen.’
Van de Akker zei weer: ‘Probeert u maar rustig te blijven, meneer Van de Rest. Ik zie u straks in Rotterdam.’
‘Dank u, tot zo,’ was mijn antwoord.
Ik had me nog zo voorgenomen om cool te blijven. Ik had dit telefoontje al honderd keer geoefend. Maar ik had geen rekening gehouden met mijn eigen zenuwen en zeker niet met die van Hannah.
Nu kon ik me tot mijn dochter wenden, die nog steeds stond te trillen.
‘Kom eens hier, lieverd, stil maar. Het komt goed.’
Hannah zei: ‘Ik ben zo bang, papa. Waarom moet het juist nu gebeuren? Je mag niet doodgaan, hoor. Ik wil hier niet blijven, waar moet ik nu naartoe?’
‘Luister naar me, Hansje, het is juist een goed teken dat het nu gebeurt. God heeft het zo bedoeld. Nee niet God, maar het moet zo zijn, bedoel ik. En juist omdat jij er vanavond bij was, weet ik zeker dat het lukt. Je bent mijn engel, je brengt geluk. Ik weet het zeker – en ik meende het – het komt goed. Maar nu moet ik eerst even de verpleging bellen.’
Ik drukte op het speciale verplegersknopje op het kastje naast mijn bed. Ik stond op, deed mijn pyjama weer uit en begon me aan te kleden. Terwijl ik mijn riem vastmaakte, kwam de verpleegster binnen. Ik legde uit wat er was gebeurd, waarop de verpleegster direct naar de balie liep om een ambulance te bellen. Ik pakte mijn spoedtas en ging met mijn tas op schoot op de rand van het bed zitten. Ik had nog steeds natte oksels. Ik keek om me heen en zag mijn kamer met alle spullen die ik in de loop van de maanden had verzameld. De muren hingen vol met beterschapskaarten, foto’s en kindertekeningen. Op tafel lagen tijdschriften en kranten. Op de grond stonden twee kratten met prijzen voor de bingoavond, die ik had georganiseerd en die de volgende dag zou plaatsvinden. Verder lagen er stapels boeken, een gitaar, een kleine elektronische piano en mijn laptop. Ik moest alles achterlaten. De verpleegster verzekerde me dat ze alles goed zou opbergen en dat mijn vrouw alles kon ophalen, zodra ze tijd had.
Ik belde Carin om het nieuws te vertellen: ‘Hoi lief, nou hou je vast. Het gaat gebeuren. Ik ben gebeld. De ambulance is onderweg. Ik denk dat ik binnen een uur in Rotterdam zal zijn.’
‘Wat een goed nieuws, ik kom direct naar het ziekenhuis. Ik zal mijn zus vragen of ze Hannah komt ophalen. Hou je taai, ik spreek je zo.’
Ze zei direct dat het ‘goed nieuws’ was. Dat had ik even nodig. Natuurlijk was het goed nieuws. Ik moest alleen nog even aan het idee wennen dat het nu echt ging gebeuren. Hier had ik maanden op gewacht. Ik had alle tijd gehad om over alle scenario’s na te denken. De risico’s waren me duidelijk. Ik had momenten waarop ik, risicomijdend, dacht toch beter af te zijn met een infuusrollator in een revalidatiekliniek. Nu was het menens. Ik werd voor de leeuwen gegooid.
Ik zei: ‘Dag snoes, ik hou van je.’
Ik vertelde Hannah dat Ellen onderweg was om haar op te halen.
Getraind in ziekenhuisgeluiden hoorde ik de voetstappen en de brancard van de ambulancebroeders al aankomen.
Het ging allemaal heel snel. Ik moest op de brancard gaan liggen en ik werd samen met mijn spoedtas naar de ambulance gereden. Hannah liep met me mee. Beneden aangekomen stonden Ellen en haar man Jouko ons al bij de uitgang op te wachten. Hannah was in goede handen. Ik werd de ambulance in gereden en had nog net tijd om iedereen een laatste knuffel te geven. Deuren dicht en we waren op weg.
Dit was zeker niet de eerste keer dat ik in een ambulance reed, maar deze keer had ik een heel nieuwe bestemming. Terwijl ik met de zuster van de ambulance sprak over wat er ging gebeuren, stelde ik de volgende sms voor mijn familie en vrienden op:

‘Het gaat gebeuren,
allen duimen,
ik hou van jullie,
ook met mijn nieuwe hart.’

Hoofdstuk 1 (Fragment)
‘Yes I do!’

Giechelend van de opwinding reden we met onze gehuurde upgrade- Chevrolet weg uit de parkeergarage van het Excalibur Hotel. We hadden de nacht doorgebracht in een royal suite met jacuzzi. Daarna reden we in noordelijke richting op Las Vegas Boulevard. Het was 24 augustus 1994, onze trouwdag, we zochten alleen nog een geschikte wedding chapel. Buiten was het snikheet. De ramen waren open en de airco blies koele lucht. Carin zat met de citymap op schoot en wees de weg. We reden langs de grote casino’s van de Strip. Na enkele miles maakten de groteske gokpaleizen plaats voor kleinere restaurants, pizzeria’s, hairstudio’s en winkeltjes. Twee blokken na Sahara Avenue passeerden we ‘The world famous Chapel of the Bells’. Carin lachte en zei: ‘World famous, nooit van gehoord. Jij?’
Ik antwoordde: ‘Volgens mij is een vriend van mij daar ooit getrouwd. Eh…’ Ik keek ongemerkt op het bord met celebrity’s. ‘Ik weet niet of je hem kent. Al Pacino?’
Carin lachte en gaf me een por in mijn zij. ‘Hé, pas op jij, straks rijden we zo bij Joe’s Tattoo shop naar binnen,’ zei ik quasiverontwaardigd.
Ik stuurde de Chevy rustig verder langs de Boulevard. Het aantal wedding chapels nam snel toe. Overal stonden kleine kerkjes met bloemenperken en grote welkomstborden. Ik zei: ‘Dit wordt nog moeilijk kiezen.’
Carin zei: ‘Ik heb gelezen over een kapelletje met een Elvis als dominee. Laten we daarnaartoe gaan.’ Drie blokken na Charleston Boulevard zagen we het mooiste kerkje van de hele Strip. Op het blauwe bord stond ‘Graceland Wedding Chapel’.
‘Hier moet het zijn,’ zei ik en parkeerde de Chevy voor het kerkje. We keken elkaar aan en zeiden lachend: ‘Yes, I do!’
We wilden graag trouwen, maar niet met alle officiële plechtigheden in Nederland. Geen stijve recepties, bruidstaart, huilende tantes en een smokingfeest. Carin was drie maanden zwanger – ja gepland – en we waren naar Las Vegas gekomen om te trouwen zonder poespas.

Op het dak van het Graceland-kerkje zat een lange magere klusjesman op zijn knieën. Met zijn rechterhand streek hij een zwarte haarlok naar achteren. Hij had een paar spijkers in zijn mond en sloeg die met een hamer in het dak. Hij groette ons vriendelijk en wees met z’n vinger in de richting van de receptie. Daar werden we verwelkomd door een oudere dame. ‘We are honoured to have you here,’ zei ze met een lieve glimlach. Ze liet ons een fotoboek zien en ze vertelde uit welke huwelijkspakketten we konden kiezen. Omdat Elvis op het dak zat, konden we het Elvis-pakket vandaag wel vergeten. …

Hoofstuk 3 (fragment)

In een fractie van een seconde

Het was twee uur ’s nachts en Carin belde dokter Blom. Zwaar ademend kroop ik weer terug naar mijn bed. De pijn werd heviger en spreidde zich uit over mijn hele borst, mijn rug en nu ook naar mijn kaken. Het was alsof ik totaal verkrampte. Naast me lag kleine Pien, ze lag met haar vijf maanden nog steeds tussen ons in. Ze zou in ons nieuwe huis een eigen kamer krijgen. Ik verbeet de pijn en ademde steeds zwaarder. Er moest iets gebeuren, want ik voelde dat ik het zo niet lang meer zou volhouden. Carin bracht natte doeken en een kotsemmer. De bel ging en daar was huisarts Blom. Zijn haar was steil naar links gevallen waardoor nu zijn hele kale hoofd te zien was. Nerveus pakte hij een flesje nitroglycerine uit zijn tas en spoot het onder mijn tong. Van ‘nitro’ gaan de bloedvaten openstaan. Maar de pijn bleef. Blom gebood Carin om een ambulance te bellen. Een paar minuten later kwamen er twee ambulancebroeders aan mijn bed. Er werd meteen een ecg gemaakt.
‘Geen hartaanval’ werd er gezegd. ‘Of misschien toch wel, want we kunnen niet alles meten, daarvoor moet u naar het ziekenhuis.’ Ik werd op een brancard gesjord en voordat ik de slaapkamer verliet, keek ik opzij naar het bed waar Pien nog steeds lag te slapen. Ik nam in gedachten afscheid met het idee dat ik haar misschien nooit meer zou zien.
‘Dag kleintje, het ga je goed.’
De ambulance stond pal voor de deur van ons huis. Vanuit mijn ooghoeken zag ik de schimmen van nieuwsgierige mensen uit het nachtleven van Haarlem. Ik was het lijdend voorwerp in mijn eigen ziekenhuisserie. De deuren van de ambulance gingen dicht en we zoefden weg richting ziekenhuis. Carin bleef achter bij de kinderen.

Ik was letterlijk doodop, de pijn tussen mijn schouderbladen en mijn kaken was onhoudbaar. Het was alsof alle lucht uit mijn borst werd geknepen. Met rugby heb ik dat wel vaker gehad. Het was net alsof ik weer onder in een scrum lag met een stuk of acht kerels boven op me. En het kleinste mannetje porde met een mes tussen mijn schouderbladen.

Ik probeerde met een uiterste inspanning toch nog zuurstof binnen te krijgen. Als ik even niet vol gas gaf, merkte ik dat ik wegzakte. Ik moest alles geven wat ik had. Ik hield me vast aan het hekje van de brancard, maar ik miste de kracht om me te kunnen vasthouden. Ik kon niet meer. Geen controle meer. Laat maar. Ik liet alles los en ik stopte met vechten. Ik ontspande en het werd rustig en stil. De pijn leek direct minder hevig. Hier wilde ik zijn. Bewegingloos zonk ik onder de waterspiegel, elke seconde steeds dieper naar beneden. Er was geen kans meer om nog boven te komen, ik zou verdrinken. Ik had gevochten en verloren.
Het cliché bleek waar te zijn: ik zag flitsen uit mijn leven. Het was als een droom waarbij een heel verhaal zich afspeelt in een fractie van een seconde, een bombardement van herinneringen en gedachten. De realiteit van dit destructieve moment werd uitgedrukt in zelfveroordeling. Mijn geweten zei me dat ik te ver was gegaan. Ik had beter naar mijn lijf moeten luisteren. Ik had de signalen te lang genegeerd. Ik ging altijd te lang door. Zowel in mijn werk als in de kroeg. Ik was natuurlijk altijd sterk en groot geweest. Nu had ik mezelf overschat. Stomme lul die je bent! Ik zag mezelf met een sigaret in de kroeg staan. Gesprekken voeren over niets. Waarom was ik niet thuis bij mijn vrouw en kinderen? Ik had te lang zonder echt doel geleefd. Te makkelijk, te veel op zoek naar kortstondige bevrediging. Allemaal verwijtbaar gedrag.
Het zeelandschap om mij heen kleurde naar felgroen als verbrande koperoxide. Ik kwam in een draaikolk en ik zag een helder licht. Ik keek achterom en zag daar op afstand mijn Hannah staan. Ze keek treurig, haar armen waren naar mij gericht alsof ze opgetild wilde worden. Ze leek te zeggen: ‘Papa, niet weggaan!’ De verbeelding van het diepste gevoel dat in ons zit: de liefde voor onze kinderen. Het oerinstinct van de overlevering deed zijn laatste reddingspoging.
Nee, dat niet. Het is mijn tijd nog niet, dacht ik. Ik besloot te zwemmen voor mijn leven. Nooit meer zou ik doelloos in de kroeg staan. Nooit meer zou ik te lang op mijn werk blijven hangen met collega’s. Nooit meer zou ik mijn werk vooropstellen. Ik wilde terug naar mijn kinderen en naar Carin. Als ik het zou halen zou ik me echt nooit meer anders voordoen dan hoe ik was. Geen schijnbestaan meer. Als ik het red, zal ik voortaan zuiver leven.

Zo diep moest ik kennelijk zinken om tot dit zelfinzicht te komen. Hoewel deze strijd de zwaarste was die ik ooit had moeten leveren, was ik dankbaar. Het voelde als een bevrijding om vanaf nu te mogen leven zonder te hoge verwachtingen te hebben over mijn eigen prestaties. Als beloning voor het overleven van deze strijd mocht ik voortaan dicht bij mezelf blijven. Ik had vanaf nu zelf de regie in handen. Mijn leven was nu echt van mij en ik was aan niemand iets verplicht. De bouwstenen van mijn identiteit waren opnieuw gerangschikt. Ik kon zelfs de invloed van mijn dominante vader in mijzelf herkennen en isoleren. Deze herinterpretatie maakte me euforisch. Dit was het keerpunt. Mentaal was ik bevrijd. En dat alles in slechts een fractie van een seconde. Ik had weer controle over mijn eigen mentale leven en besloot om te gaan ademen en terug te zwemmen naar de oppervlakte.

Uitgever

Kosmos Uitgevers
Herculesplein 20
Stadionzijde
3584 AA Utrecht

Postadres:
Postbus 13288
3507 LG Utrecht

Tel: 030 – 25 28 500
Fax: 030 – 25 28 598

info@kosmosuitgevers.nl

Zeg het voort...Share on Google+Share on FacebookTweet about this on TwitterPin on Pinterest