Vallei van de kaasgoden

Vallei van de kaasgodenMijn operatie is vandaag negen maanden en acht dagen geleden. Het gaat goed. Mijn nieren zijn zelfs verbeterd. Wel ben ik insuline-afhankelijk geworden. Ik spuit vier keer per dag. Maar ik voel me sterk. Toch blijft de twijfel. Is dit het nou? Wordt het nog beter? Het is ongelofelijk hoor wat ik allemaal kan en doe. Soms heb ik wat last van overslagen maar dat word steeds minder. Ik denk dat het door koffie komt. Niet dat ik veel koffie dronk maar ik ben er maar mee gestopt. Het lijkt er op dat het hart zich steeds beter aanpast aan m’n lichaam. Ik denk dat ik echt een super goed hart heb gekregen. Maandag aanstaande heb ik weer biopt. We shall see.

Er gaat eigenlijk geen moment voorbij dat ik er niet aan denk. Ik heb geen idee of mijn hart jong is of oud. Ik weet ook niet of mijn donor veel aan sport deed. Ik weet niet eens of hij of zij een man of een vrouw was. Wat ik wel weet is dat ik goed voor het hart wil zorgen.
Mijn nieuwe sport is zwemmen. Sinds juni zwem ik ongeveer 4 keer per week. Ik doe dan 1500 meter borstcrawl en schoolslag. Liefst zwem ik in open water. Vooral ik het begin was ik echt verbaasd dat ik dat zomaar kon.
Ik was zo gewend geraakt aan mijn slechte conditie door mijn vorige hart dat ik vergeten was hoe het is om ‘gezond’ door het leven te gaan. Ik zeg wel eens tegen mensen dat ik vroeger hartpatiënt was maar nu niet meer. Want nu heb ik een nieuw hart.
Soms fantaseer ik dat ik mijn oude hart op sterk water heb bewaard. “Kijk hier heb je m’n hart.” Of nog mooier, je kunt organen prepareren met een soort silicone. “Hier pak maar vast, dit is mijn hart.” Het is toch een maf idee. Ik heb mijn nieuwe hart van iemand anders gekregen. Een hart dat zich probeert aan te passen aan mij. Maar mijn lichaam ziet het hart toch als iets vreemds. Daarvoor slik ik behoorlijk wat medicijnen zodat mijn lichaam het hart niet afstoot. Is dit hart nu van mij? Ja, ik denk het wel.

We waren drie weken met het gezin in Zwitserland. Toen we de eerste dag aankwamen voelde ik het direct, ik had meer lucht. Ik had net tien uur aan een stuk gereden maar voelde me nog zo fit als een hoentje. Ik liep met gemak de trap op van Petit Paradis. Dit is een hotel-restaurant vlakbij ons huis met eerlijke plaatselijke gerechten.
We dronken Dôle Blanche. Deze wijn heeft de kleur van een rosé maar het is geen rosé want het is een mix van de gamay en pinot noir. Een vrij droge wijn met wat fruit en behoorlijke afdronk. Ik ken geen andere wijn die beter past bij kaas en dan vooral Zwitserse kaas. Deze wijn roept een palet aan geuren en herinneringen bij me op. Je proeft steen, kaas, aardbeien, frisse berglucht, honing. En in het moment van de eerste slok en hernieuwde kennismaking voelde ik intens geluk. Ik proefde m’n jeugd en dacht: “Tjonge, je bent echt een mazzelpik, une queue de mazzél. Je bent weer terug op onze berg en morgen ga je wandelen bij de watervallen. Hoe zal dat gaan?”

Dag 6

We zijn bij Cave du Sex (1800 meter). Wat een naam! Vanaf de oude schuur die door de boer is omgebouwd tot petit restaurant loopt het pad direct stijl omhoog. We laten de geur van Polenta met gesmolten kaas achter ons. Doris loopt voor me uit. De beek is veranderd in een waterval. Er is een trap gemaakt van boomstammen en steen. Ik klim trede voor trede omhoog. M’n hartslag volgt en stijgt mee naar 150 slagen per minuut: Boem, boem, boem, boem, boem… Het is warm. De eerste druppeltjes lopen langs m’n wenkbrauwen omlaag. Maar het voelt stabiel. M’n longen branden van het hijgen. Maar na 10 minuten loopt alles gesmeerd. Ik ben een ‘corpus machina’, de menselijke variant van een stoomlocomotief. Ik roep naar Doris boven het geruis van het water uit: “Steek hier de beek maar over. Dan klimmen we over deze richel. Daar loopt ook een pad.”
Na het eerste stuk met de trappen volgt het pad de beek die omhoog meandert richting de eerste grote waterval. Vanaf daar splitst de waterval zich in twee beken: Bisse de Tissoret, dat is de beek waar wij nu langs lopen en de Bisse de la Tièche. Deze laatste bisse vormt de grens tussen het Frans sprekende gedeelte en het Duits sprekende gedeelte van de Valais c.q Wallis.
Onder ons, aan de andere kant van de beek, loopt een groep kinderen van het Summercamp. Very international, very expensive. Alle kinderen dragen de zelfde aquablauwe rugzak. Ik schat in dat ze op weg zijn naar een berghut waar ze de nacht doorbrengen. Gaaf kamp hoor. Twee kids bungelen achter de groep aan en eten uit een zak met popcorn en drinken uit blikjes cola. Typisch Amerikaans rich and black, my daddy is a doctor, met oversized half afgezakte shorts and Nike gympen. Ik besluit de groep links te laten liggen. Doris en ik verlaten de beek en klimmen omhoog. We zitten nu op 1950 meter. Na een half uur klimmen komen we koeien tegen. Onverstoorbaar grazende zwarte koeien met van die grote bellen om hun nek. Na dit muzikaal intermezzo lopen we door richting de grote waterval. We zitten nu boven de boomgrens en het landschap is verandert in drie lagen: een schitterende alpenweide, iets hoger rotsen met geërodeerd gruis en puin en boven ons zien we de eeuwige sneeuw op de noordhangen. Achter ons hebben we een wijds uitzicht over het Rhônedal met daarboven honderd besneeuwde bergtoppen. Doris vraagt wanneer we bloemen gaan plukken. Ik zeg haar dat we pas plukken als we weer naar beneden gaan.
Als we over de bergrug heen komen zien we de vallei met ‘la grande chute de l’eau’. Het lijkt hier wel op een golfcours voor de kaasgoden. We lopen op heilige grond. “Kijk Doris, daar is de grote waterval. Daar gaan we naar toe.
We lopen nu ongeveer 2 uur. Mijn benen voelen nu vermoeid en slap. Je houdt een bepaalde spierzwakte. Dat komt door de prednison. Waarschijnlijk is mijn ‘suiker’ is te laag want ik voel me ook duizelig. Of komt dat door de hoogte – 2100 meter, valt wel mee – of komt het door de medicijnen? Prograft grijpt in op je motoriek. Je voelt je daardoor constant een beetje waggelen. Ach, je hoort mij niet klagen. Ik blijf gewoon doorlopen. Eerst een stuk naar beneden de vallei in en dan weer omhoog richting de waterval. Even later voel ik echt niets meer, ik denk aan niets meer maar ik loop nog wel door omdat ik niet wil opgeven. Was ik eerst verbaasd over mijn nieuwe conditie peil, word ik nu geconfronteerd met m’n beperkingen. Mijn benen vormen de zwakke schakel. Plotseling dringt het beeld zich op van mijn borstkast die zich opent zoals de kaken van een haai.
Er komt een hart aanvliegen dat zich nestelt in mijn lichaam waarop mijn ribben zich sluiten. Ondanks dat ik diep respect heb voor mijn donor voel ik me net een wandelende zombie. Ik ga zitten op een rots en haal een baguette uit mijn rugzak en een hard worstje. Met m’n epinel-mes snijd ik een stuk van de worst af. Doris komt naast me zitten en we zeggen niets. Vers stokbrood met worst en smeltwater uit de beek. Veel puurder kan het niet. Na een paar minuten verbreek ik de stilte: “Zullen we bloemen plukken. Dan maken we een mooi boeket voor mamma.”

Dit bericht is geplaatst in Persoonlijk. Bookmark de permalink.

4 Reacties op Vallei van de kaasgoden

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *