Voor de wetenschappers

Hieronder volgt een lijst van de drie belangrijkste medicijnen bij harttransplantatie en een kleine toegift. Daarnaast krijg ik natuurlijk nog veel meer rommel binnen. Maar dat is echt te veel om op te noemen.

Tacrolimus

Tacrolimus is sinds 1993 internationaal op de markt. Het is op recept verkrijgbaar onder de merknaam Prograft. Het is te verkrijgen in capsules en injecties.

Tacrolimus is ook in de handel onder de merknaam Protopic in een zalf. Deze tekst gaat alleen over de capsules en de injecties.

1. Wat doet tacrolimus en waarbij wordt het gebruikt?

Tacrolimus onderdrukt het afweersysteem en remt ontstekingen. Het behoort tot de medicijnen tegen afweerreacties.

Artsen schrijven het voor om afweerreacties te voorkomen na transplantaties.

Afweerreacties, voorkomen van

De beruchtste complicatie bij orgaantransplantaties is dat het afweersysteem van het lichaam de orgaancellen van de donor ziet als ‘vreemd’ en ze probeert op te ruimen. Net zoals het bacteriën en virussen opruimt. Dit heeft tot gevolg dat organen worden afgestoten.

Om dit te voorkomen, schrijven artsen geneesmiddelen voor die de lichaamseigen afweer onderdrukken. Deze moeten dan langdurig worden gebruikt.

Behandeling

Na een transplantatie is meestal een groot aantal medicijnen nodig om het getransplanteerde orgaan in goede conditie te houden. De meest gebruikte medicijnen om de afweer te onderdrukken zijn ciclosporine (Neoral), sirolimus (Rapamune), mycofenolzuur (Cellcept), azathioprine en tacrolimus.

Ze worden vaak gecombineerd met corticosteroïden (bijnierschorshormonen).

Werking

Tacrolimus onderdrukt de lichaamseigen afweer tegen vreemde cellen.

Klik voor meer informatie over geneesmiddelen bij afweerreacties, voorkomen van

2. Op welke bijwerkingen moet ik letten?

Behalve het gewenste effect kan tacrolimus bijwerkingen geven. De belangrijkste bijwerkingen zijn maagdarmklachten, nierbeschadiging, verhoogde bloeddruk, verhoogde kans op infecties, hoofdpijn, wazig zien, duizeligheid, trillende of bevende handen en een verhoogd glucose- of kaliumgehalte in het bloed.

Uw arts zal uw bloed regelmatig controleren op aanwijzingen voor bijwerkingen.

Soms

  • Maagdarmklachten, zoals misselijkheid, braken, buikpijn en diarree. Heeft u hier veel last van, raadpleeg dan uw arts.
  • Nierbeschadiging. De arts zal regelmatig in uw bloed controleren of de nieren nog goed werken. Zorg dat u voldoende drinkt en geen dorst heeft. Raadpleeg uw arts als u binnen enkele dagen in gewicht toeneemt of als u dikke enkels of onderbenen krijgt.
  • Verhoogde bloeddruk. De arts zal uw bloeddruk regelmatig meten.
  • Verhoogde kans op infecties, bijvoorbeeld een infectie van de luchtwegen, zoals verkoudheid en hoesten. Dit komt omdat de lichaamseigen afweer is verminderd. Meld de volgende verschijnselen altijd aan uw arts: koorts, keelpijn, verkoudheid, griep.
  • Hoofdpijn, wazig zien, duizeligheid, trillende of bevende handen.
  • Verhoogd bloedglucosegehalte en verhoogd kaliumgehalte in het bloed. Uw arts zal daarom regelmatig uw bloed controleren. Heeft u last van veel plassen, dorst en moeheid, raadpleeg dan uw arts.

Zelden

  • Bloedafwijkingen. Dit middel onderdrukt het beenmerg, waar de voorlopers van nieuwe bloedcellen worden gemaakt. Met name bij hoge dosering zal er een tekort aan bepaalde bloedcellen ontstaan. Het gevolg is bloedarmoede, meer kans op bloedingen en een verminderde afweer. Dit kan na enkele weken ontstaan. Het bloed wordt daarom regelmatig gecontroleerd. Door verlagen van de dosis of na stoppen van het gebruik, verdwijnt deze bijwerking weer.
  • Verminderde leverwerking. Merkt u een gevoelige, opgezwollen buik of een gele verkleuring van het oogwit of van de huid, waarschuw dan een arts. Na verlaging van de dosering of na stoppen, verdwijnt deze bijwerking weer.
  • Psychische klachten, zoals angst, opwinding, abnormaal denken, dromen en slapeloosheid. Raadpleeg uw arts als u deze bijwerkingen opmerkt. Na stoppen van het gebruik verdwijnen deze bijwerkingen weer.
  • Hartklachten. Zeer zelden: stoornissen in het hartritme. Deze bijwerking treedt vooral op bij hoge doseringen en bij mensen die een verhoogde kans hebben op hartritmestoornissen. Indien u al voor hartklachten wordt behandeld, zal uw arts uw hart extra controleren.

Zeer zelden

  • Allergische reacties met onder andere jeuk of galbulten, huiduitslag, griepachtige verschijnselen, koorts, spierpijn, benauwdheid of flauwvallen. Stop dan het gebruik en raadpleeg uw arts. U mag tacrolimus in de toekomst niet meer gebruiken. Geef daarom aan de apotheek door dat u overgevoelig bent voor tacrolimus. Het apotheekteam kan er dan op letten dat u tacrolimus niet opnieuw krijgt.
  • Verhoogde kans op huidtumoren. Incidenteel is dit opgemerkt bij patiënten die hoge doseringen gebruiken. Ga niet overmatig zonnebaden of onder UV-licht van zonnebank of solarium. Gebruik bij blootstelling aan zonlicht altijd een antizonnebrandmiddel met een hoge beschermingsfactor.
  • Een verhoogd risico op hartritmestoornissen. U kunt last krijgen van plotselinge duizelingen of kortdurend buiten bewustzijn raken. Dit is vooral van belang voor mensen met een bepaalde hartritmestoornis, namelijk het aangeboren verlengde QT-interval. Gebruik tacrolimus NIET als u deze hartritmestoornis heeft. Overleg met uw arts. Mogelijk kunt u overstappen op een ander middel.

Raadpleeg uw arts als u te veel last heeft van één van de bovengenoemde bijwerkingen, of als u andere bijwerkingen ervaart waar u zich zorgen over maakt.

Prednisolon

Geneesmiddelen beschreven op deze site die toegepast worden bij Afweerreacties, voorkomen van

Wat is een afweerreactie?

Een afweerreactie is een ontstekingsreactie van het lichaam tegen lichaamsvreemd materiaal, zoals bacteriën en virussen, maar ook tegen bijvoorbeeld getransplanteerde nieren, longen of hoornvlies. Uw afweersysteem probeert dit af te stoten of op te ruimen, omdat het lichaam dit niet als ‘eigen’ herkent.

Een afweerreactie is ongewenst als er een orgaan wordt getransplanteerd. Het orgaan wordt dan afgestoten. Vaak zijn er daarom ‘afweerremmende’ medicijnen nodig om afstoting te voorkomen.

Welke geneesmiddelen kunnen worden gebruikt bij het voorkomen van afweerreacties?

Medicijnen tegen afweerreacties

Deze groep medicijnen worden ook wel immunosuppresiva of afweeronderdrukkende middelen genoemd. Na een transplantatie is meestal een groot aantal medicijnen nodig om ervoor te zorgen dat het eigen afweersysteem het getransplanteerde orgaan niet afstoot. De meest gebruikte medicijnen om de afweer te onderdrukken zijn azathioprine, ciclosporine, mycofenolzuur, sirolimus en tacrolimus.

Bijnierschorshormonen

Bijnierschorshormonen, ook wel corticosteroïden genoemd. Ze worden, vaak in hoge doseringen, toegepast bij de profylaxe en behandeling van afstotingsreacties bij transplantatie. Meestal worden ze in combinatie met andere immunosuppresiva toegepast. Ze werken ook ontstekingsremmend. Voorbeelden zijn dexamethason, methylprednisolon, prednisolon en prednison.

In deze lijst vindt u merkgeneesmiddelen, merkloze geneesmiddelen en werkzame stoffen. Voor merkloze geneesmiddelen wordt meestal de naam van de werkzame stof gebruikt, vandaar dat sommige namen dubbel voorkomen in de lijst. Merknamen en merkloze middelen worden hier met een hoofdletter geschreven, de werkzame stoffen met een kleine letter.

Cellcept

De werkzame stof in Cellcept is mycofenolzuur.   Mycofenolzuur is sinds 1995 internationaal op de markt. Het is op recept verkrijgbaar onder de merknamen Cellcept en Myfortic. Het is te verkrijgen in tabletten, capsules, drank en injecties. Deze tekst gaat alleen over de tabletten, capsules en drank.

1. Wat doet Cellcept en waarbij wordt het gebruikt?

Mycofenolzuur onderdrukt het afweersysteem en remt ontstekingen. Het behoort tot de medicijnen tegen afweerreacties.

Artsen schrijven het voor om afweerreacties te voorkomen na transplantaties.

Afweerreacties, voorkomen van

De beruchtste complicatie bij orgaantransplantaties is dat het afweersysteem van het lichaam de orgaancellen van de donor ziet als ‘vreemd’ en ze probeert op te ruimen. Net zoals het bacteriën en virussen opruimt. Dit heeft tot gevolg dat organen worden afgestoten.

Om dit te voorkomen schrijven artsen geneesmiddelen voor die de lichaamseigen afweer onderdrukken. Deze moeten dan langdurig worden gebruikt.

Behandeling

Na een transplantatie is meestal een groot aantal medicijnen nodig om het getransplanteerde orgaan in goede conditie te houden. De meest gebruikte medicijnen om de afweer te onderdrukken zijn ciclosporine (Neoral), tacrolimus (Prograft), sirolimus (Rapamune), azathioprine en Cellcept.

Ze worden vaak gecombineerd met corticosteroïden (bijnierschorshormonen).

Werking

Mycofenolzuur onderdrukt de lichaamseigen afweer tegen vreemde cellen.

Klik voor meer informatie over geneesmiddelen bij afweerreacties, voorkomen van

2. Op welke bijwerkingen moet ik letten?

Behalve het gewenste effect kan Cellcept bijwerkingen geven. De belangrijkste bijwerkingen zijn maagdarmklachten, bloedafwijkingen, verhoogde kans op infecties en huidinfecties.

Uw arts zal uw bloed regelmatig controleren op aanwijzingen voor bijwerkingen.

Soms

  • Maagdarmklachten, zoals misselijkheid, braken, buikpijn en diarree. Mocht u veel last hebben van misselijkheid, neem het middel dan bij een maaltijd in.
  • Bloedafwijkingen. Dit middel onderdrukt het beenmerg, waar de voorlopers van nieuwe bloedcellen worden gemaakt. Met name bij hoge dosering zal er een tekort aan bepaalde bloedcellen ontstaan. Het gevolg is bloedarmoede, meer kans op bloedingen en een verminderde afweer. Dit kan na enkele weken ontstaan. Het bloed wordt daarom regelmatig gecontroleerd. Door verlagen van de dosis of na stoppen van het gebruik verdwijnt deze bijwerking weer.
  • Verhoogde kans op infecties, bijvoorbeeld een blaasontsteking of een infectie van de luchtwegen, zoals verkoudheid en hoesten. Dit komt omdat de lichaamseigen afweer is verminderd. Meld de volgende verschijnselen altijd aan uw arts: koorts, keelpijn, verkoudheid, griep.
  • Huidinfecties, zoals gordelroos, een koortslip of schimmelinfecties. Raadpleeg bij roodheid en jeuk uw arts.

Zelden

  • Moeheid, hoofdpijn, duizeligheid, trillende of bevende handen.
  • Vasthouden van vocht (dikke enkels en voeten). Hierdoor kan ook uw bloeddruk iets stijgen.
  • Leverontsteking. Merkt u een gevoelige, opgezwollen buik of een gele verkleuring van het oogwit of van de huid, waarschuw dan een arts. Na verlaging van de dosering of na stoppen, verdwijnt deze bijwerking weer.
  • Psychische klachten, zoals angst, depressie, abnormaal denken en slapeloosheid. Raadpleeg uw arts als u deze bijwerkingen opmerkt. Na stoppen van het gebruik verdwijnen deze bijwerkingen weer.

Zeer zelden

  • Verhoogde kans op huidtumoren. Incidenteel is dit opgemerkt bij patiënten die hoge doseringen gebruiken. Ga niet overmatig zonnebaden of onder UV-licht van zonnebank of solarium. Gebruik bij blootstelling aan zonlicht altijd een anti-zonnebrandmiddel met een hoge beschermingsfactor.
  • Overgevoeligheid voor Cellcept. Dit merkt u aan huiduitslag, galbulten en jeuk. Gebruik Cellcept dan niet meer. Een ernstige overgevoeligheid is te merken aan benauwdheid of een opgezwollen gezicht. Ga dan onmiddellijk naar een arts. In beide gevallen mag u Cellcept in de toekomst niet meer gebruiken. Geef daarom aan de apotheek door dat u overgevoelig bent voor mycofenolzuur. Het apotheekteam kan er dan op letten dat u Cellcept of soortgelijke middelen niet opnieuw krijgt.

Raadpleeg uw arts als u te veel last heeft van één van de bovengenoemde bijwerkingen, of als u andere bijwerkingen ervaart waar u zich zorgen over maakt.

Haldol

De werkzame stof in Haldol is haloperidol.  Haloperidol is sinds 1959 internationaal op de markt. Het is op recept verkrijgbaar onder de merknaam Haldol en het merkloze Haloperidol. Het is te verkrijgen in tabletten, druppels en injecties.

1. Wat doet Haldol en waarbij wordt het gebruikt?

Haloperidol behoort tot de groep klassieke antipsychotica. Het vermindert in de hersenen onder andere het effect van de natuurlijk voorkomende stof dopamine. Hierdoor nemen psychosen, hevige onrust, misselijkheid en bepaalde spiertrekkingen af.

Artsen schrijven het voor bij psychose, manie, onrust, schizofrenie, depressie, alcoholontwenning, dementie, misselijkheid en braken, hik, tics, dwangstoornissen en pijn.

Tolvon

De werkzame stof in Tolvon is mianserine.   Mianserine is sinds 1975 internationaal op de markt. Het is op recept verkrijgbaar onder de merknaam Tolvon en als het merkloze Mianserine in tabletten.

1. Wat doet Tolvon en waarbij wordt het gebruikt?

Mianserine behoort tot de groep tetracyclische antidepressiemiddelen. Het regelt in de hersenen de hoeveelheid en het effect van serotonine, een natuurlijk voorkomende stof die een rol speelt bij stemmingen en emoties.

Artsen schrijven het voor bij depressie.

Depressie

Verschijnselen
Bij depressiviteit is er sprake van een sombere stemming, geen interesse en plezier meer in de dingen van het leven. Iemand die depressief is, voelt zich vaak waardeloos en heeft schuldgevoelens. Ook kunnen mensen met depressiviteit snel geïrriteerd zijn en moeite met inslapen of doorslapen hebben.

Werking
Mianserine verbetert deze verschijnselen bij ongeveer zes op de tien mensen. U voelt zich energieker en uw stemming verbetert. Het kan echter wel één tot twee weken duren voor u dit effect merkt. Het is belangrijk het middel dan nog ongeveer een half jaar tot een jaar te blijven gebruiken. U voorkomt hiermee dat de depressiviteit terugkomt.

Mianserine wordt vooral gebruikt bij mensen die behalve neerslachtige gevoelens ook last hebben van extreem gewichtsverlies en midden in de nacht of te vroeg ontwaken. Ook wordt het veel gebruikt bij mensen waarbij de klachten ’s ochtends het ergst zijn en in de loop van de dag enigszins verbeteren.

Consequent gebruiken
Hoewel de werking tegen depressiviteit pas na een aantal weken inzet, kunt u wel meteen na begin van de behandeling last krijgen van bijwerkingen. Stop dan niet, want meestal verminderen de bijwerkingen als u gewend bent geraakt aan het middel. Vaak verdwijnen ze zelfs.

Uw arts zal doorgaans beginnen met de laagst mogelijke dosering, zodat u in het begin zo min mogelijk hinder ondervindt van de bijwerkingen. In de loop van de eerste weken, of als het effect op zich laat wachten, zal uw arts een hogere dosering proberen.

Klik voor meer informatie over geneesmiddelen bij depressie

2. Op welke bijwerkingen moet ik letten?

Of er bijwerkingen optreden, en in welke mate, hangt af van hoeveel en hoe lang u Tolvon gaat gebruiken. Bovendien zullen bijwerkingen niet bij iedereen optreden, maar alleen bij personen die daarvoor gevoelig zijn.

De meeste bijwerkingen zijn in de eerste week het uitgesprokenst en nemen daarna af of verdwijnen zelfs. Ze gaan weer over als u met het middel stopt.

Regelmatig

  • Sufheid, slaperigheid, duizeligheid en een verminderd reactievermogen. Dit is vooral lastig bij activiteiten waarbij uw oplettendheid erg nodig is, zoals autorijden, het beklimmen van een ladder of het bewaken van een proces op het werk. Onderneem geen risicovolle activiteiten, zeker niet de eerste twee weken van de behandeling, als u nog aan het middel moet wennen.

Acetylsalicylzuur cardio

De werkzame stof in Acetylsalicylzuur cardio is acetylsalicylzuur.  Acetylsalicylzuur is sinds 1899 internationaal op de markt. Als antistollingsmiddel is acetylsalicylzuur op recept verkrijgbaar als het merkloze Acetylsalicylzuur cardio en Acetylsalicylzuur neuro. Het is te verkrijgen in tabletten.

Acetylsalicylzuur wordt ook als antistollingsmiddel gebruikt in combinatie met een andere werkzame stof, onder de merknaam Asasantin Retard.

Acetylsalicylzuur wordt in een dosering vanaf 300 mg ook gebruikt tegen pijn, koorts en ontstekingen.

Klik hier voor meer informatie over: Asasantin Retard.

1. Wat doet dit middel en waarbij wordt het gebruikt?

Acetylsalicylzuur in een dosering onder de 300 mg is een antistollingsmiddel. Het gaat de vorming van bloedstolsels in de bloedvaten tegen.

Artsen schrijven het voor na een hartinfarct, na een beroerte (herseninfarct) of TIA (lichte beroerte), bij angina pectoris (hartkramp), bij verhoogde kans op trombose en bij bepaalde hartritmestoornissen.

Hartinfarct (hartaanval)

Oorzaak
Bij een hartinfarct krijgt een deel van het hart onvoldoende bloed. Meestal komt dit door een bloedstolsel in één van de bloedvaten die het hart van bloed voorzien. Het bloedvat raakt verstopt, waardoor een deel van het hart te weinig bloed krijgt. Dat deel van het hart raakt beschadigd en kan niet meer optimaal werken.

Voorkomen van een tweede hartinfarct
Artsen schrijven acetylsalicylzuur voor om een tweede hartinfarct te voorkomen. Het remt de vorming van bloedstolsels, zodat niet opnieuw een bloedvat verstopt kan raken.

Effect
Van deze preventieve werking merkt u zelf niets. Het effect is alleen meetbaar via bloedonderzoek. De remmende werking op de vorming van bloedstolsels begint direct na inname. Na enkele dagen van gebruik is het effect optimaal.

Consequent gebruiken
Het lichaam maakt voortdurend nieuwe bloedcellen aan die weer kunnen samenklonteren. Daarom is het van belang dat u dit middel elke dag inneemt. Zo remt u constant het ontstaan van bloedstolsels en verkleint u de kans op een nieuwe hartinfarct.

Klik voor meer informatie over geneesmiddelen bij hartinfarct (hartaanval)

Hartinfarct (hartaanval)

Wat is een hartinfarct?

Een hartinfarct wordt veroorzaakt door een afsluiting van één of meer bloedvaten rondom het hart. Hierdoor krijgt een deel van de hartspier langdurig te weinig bloed en dus te weinig zuurstof. Door het zuurstoftekort sterft een deel van de hartspier af – dit heet een hartinfarct. Het hart pompt wel door, maar er is een stukje spier dat niet actief meer kan meedoen.

De kans dat een hartinfarct zal optreden, hangt af van veel factoren. De belangrijkste risicofactoren zijn:

Hoe kunt u een hartinfarct herkennen?

Vaak zijn de eerste tekenen van een hartinfarct een hevig drukkende of snoerende pijn op de borst. Soms straalt de pijn uit naar de linkerarm of naar de kaken. Vaak bent u misselijk, en zweterig en klam. Een verandering van houding geeft geen verbetering.

Wat kunt u zelf doen aan een hartinfarct?

U kunt hier zelf niets aan doen. Bij een hartinfarct dient u direct uw arts of 112 te bellen. U kunt wel de kans op een (nieuw) hartinfarct verkleinen door het aantal risicofactoren te verminderen en gezonder te leven.

  • Stop met roken.
  • Beweeg geregeld.
  • Probeer af te vallen als u overgewicht heeft.
  • Zorg voor ontspanning.
  • Eet gezonde voeding: wees matig met vet, zoet en zout; eet veel vezels, groente en fruit.
  • Drink niet meer dan twee glazen alcohol per dag.

Op welke bijwerkingen moet ik letten?

Behalve het gewenste effect kan dit middel bijwerkingen geven. De belangrijkste bijwerkingen zijn bloedingen, maagdarmklachten en overgevoeligheid.

Soms

  • U kunt gemakkelijk bloeduitstortingen en blauwe plekken krijgen, ook zonder dat u zich (hard) stoot. Dit komt doordat het bloed langzamer stolt en het dus langer duurt voordat een wondje stopt met bloeden.
  • Omdat dit middel uw bloedstolling remt, kan het bij bijvoorbeeld operaties problemen geven. Bijvoorbeeld na het trekken van tanden of kiezen. Meld daarom bij elk bezoek aan de tandarts dat u dit middel gebruikt.

Zeer zelden

  • Maag- of darmbloeding. Dit merkt u door een zwarte, teerachtige ontlasting. Stop dan het gebruik en neem contact op met een arts. Mensen met een maag- of darmzweer, slokdarmontsteking door opkomend maagzuur of een maag- of darmbloeding mogen dit middel niet gebruiken. De zweer kan gaan bloeden en de bloeding stopt dan slecht. Heeft u een van deze klachten in het verleden gehad? Overleg dan met uw arts. Meestal schrijft de arts een maagbeschermend middel voor, zoals omeprazol.
  • Bij langdurig gebruik kan dit middel door ongemerkt bloedverlies via de ontlasting leiden tot bloedarmoede.
  • Overgevoeligheid voor dit middel. Dit merkt u aan huiduitslag, galbulten en jeuk. Gebruik dit middel dan niet meer. Een ernstige overgevoeligheid is te merken aan benauwdheid of een opgezwollen gezicht. Ga dan onmiddellijk naar een arts. In beide gevallen mag u dit middel in de toekomst niet meer gebruiken. Geef daarom aan de apotheek door dat u overgevoelig bent voor acetylsalicylzuur. Het apotheekteam kan er dan op letten dat u dit middel of soortgelijke middelen niet opnieuw krijgt. Mensen met astma en andere benauwdheidsklachten blijken vaker overgevoelig te zijn voor dit middel. Zij moeten daarom extra op overgevoeligheidsverschijnselen letten.
  • Jichtaanval. Dit merkt u meestal aan een pijnlijk gezwollen en rode grote teen. Mensen die al vaker last van jicht hebben, moeten hier extra alert op zijn. Neem contact op met uw arts als uw jicht toeneemt. Mogelijk kan de arts een ander middel tegen trombose voorschrijven.
  • Mensen van wie nieren minder goed werken hebben meer kans op een nierbeschadiging. Overleg daarom met uw arts voor u dit middel gaat gebruiken.

Raadpleeg uw arts als u te veel last heeft van één van de bovengenoemde bijwerkingen, of als u andere bijwerkingen ervaart waar u zich zorgen over maakt.

3. Heeft dit middel een wisselwerking met andere medicijnen?

De medicijnen waarmee de belangrijkste wisselwerkingen optreden, zijn de volgende.

  • De bloedverdunners acenocoumarol (Sintrom) en fenprocoumon (Marcoumar). Acetylsalicylzuur kan de werking van de bloedverdunner versterken. Vertel de trombosedienst dat u acetylsalicylzuur gebruikt of heeft gebruikt.
  • Ook kunt u meer bijwerkingen van acetylsalicylzuur op de maag ondervinden. U heeft namelijk meer kans op een maagbloeding als u ook bloedverdunners gebruikt. Wees daar extra alert op en raadpleeg uw arts bij maagklachten.
  • De pijnstiller ibuprofen. Ibuprofen remt de werking van acetylsalicylzuur. Wellicht kunt u een andere pijnstiller gebruiken die deze wisselwerking niet heeft. Als u de combinatie toch gebruikt, neem dan de acetylsalicylzuur eerst in en minstens twee uur later de ibuprofen. De wisselwerking wordt dan voorkomen. Ibuprofen versterkt ook de bijwerkingen op de maag, net als andere ontstekingsremmende pijnstillers (zoals diclofenac, naproxen en ketoprofen). Gebruik als pijnstiller bij voorkeur paracetamol. Is dat niet mogelijk, raadpleeg uw arts dan bij maagklachten.
  • De middelen tegen depressie trazodon (Trazolan) en de SSRI-groep, zoals fluoxetine (Prozac), fluvoxamine (Fevarin) en paroxetine (Seroxat) en bijnierschorshormonen (corticosteroïden) die u inneemt of geïnjecteerd krijgt. U heeft meer kans dat u bijwerkingen op de maag ondervindt. Overleg met uw arts. Mogelijk kan uw arts een maagbeschermer voorschrijven om maagproblemen te voorkomen.
  • Tipranavir, een middel tegen virusinfecties, zoals hiv. Het versterkt de bijwerkingen van acetylsalicylzuur. Overleg hierover met uw arts.
Dit bericht is geplaatst in Persoonlijk. Bookmark de permalink.

4 Reacties op Voor de wetenschappers

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *